|
Ontwikkeling van de methode In augustus 1997 werd Physical Sense in Amsterdam opgericht door Riet Arentsen (docent bewegingsleer) en drs. Jelle Kapitein (pedagoog, arbodeskundige en onderwijskundige). In ruim twee jaar is een methode ontwikkeld voor een effectieve aanpak van klachten in het steun- en bewegingsapparaat (SBA) met meetbare resultaten.
Theoretisch perspectief Het bleek, dat de literatuur en de gebruikelijke analyse van houding te weinig informatie leverde om SBA klachten te verklaren en op te lossen. Waarneming en analyse van bewegingsgedrag bleken zoveel meer informatie op te leveren, dat het aantal onbegrepen lichamelijke klachten sterk werd gereduceerd.
De verschuiving van het perspectief van houding naar bewegingsgedrag leverde twee cruciale elementen in de waarneming -
| de kenmerkende zichtbare bewegingspatronen bij bijvoorbeeld lage rugklachten en RSI
| -
| de aangeleerde componenten in het bewegingsgedrag.
|
Natuurlijk bewegingsgedrag bestaat uit bewegingsketens waarin spieren in de juiste volgorde en in de juiste combinatie worden gebruikt. Als sprake is van sba klachten is een verstoring te zien van de combinatie en de volgorde waarin de spieren worden gestuurd en de gewrichten worden gebruikt. Wanneer de sturing in verstoorde bewegingsketens is geautomatiseerd gaan die klachten niet vanzelf over.
Met de Physical Sense methode worden de verstoorde schakels in de bewegingsketens opgespoord en wordt de functionaliteit in de bewegingsketens hersteld.Door de natuurwetten die zijn vastgelegd in de wetenschappen van neurologie, anatomie en fysiologie te combineren en te integreren, bleek het mogelijk tot in detail oorzaken en gevolgen in het bewegingsgedrag te onderscheiden. Een bijkomend voordeel is, dat waarneming van bewegingsgedrag ook op de werkplek kan plaatsvinden omdat ontkleden niet nodig is.
Op grond van het hiervoor gestelde wordt de probleemdefinitie geformuleerd als aangeleerd bewegingsgedrag dat is af te leren. De voorwaardelijke volgorde van de doelen in het leerproces is gekoppeld aan het onderscheid tussen oorzaken en gevolgen in de probleemdefinitie.
Gedurende de ontwikkeling van de methode zijn het falsificatiecriterium van Popper en de kwaliteitscirkels van Deming gebruikt om de volgende elementen samen te smelten -
| de systeemanalyse om bewegingsgedrag te verklaren en te bepalen wat iemand moet leren
| -
| de leertheorie van Vygotski en de taxonomie van Romiszowski om te bepalen hoe iemand dat kan leren. |
|